Het genie werkt nooit alleen: creativiteit als individuele daad én ecosysteemprestatie

Op een schilderij staat één naam. Op de kaft van een roman ook. Een architect neemt een prijs in ontvangst voor een gebouw waaraan honderden mensen hebben gewerkt, een ontwerper wordt gefotografeerd naast haar stoel en een regisseur loopt over de rode loper. Dat is begrijpelijk. We hebben gezichten nodig. Ze maken een verhaal overzichtelijk.

13 oktober 2026, 07:00 138 x gelezen

Picasso schilderde. Chanel ontwierp. Rembrandt maakte. Miles Davis speelde. David Bowie bedacht. Beyoncé zingt. Greta Gerwig regisseert. Es Devlin ontwerpt. Zo zijn we gewend over creativiteit te praten: iemand heeft een idee, bezit uitzonderlijk talent en maakt iets wat er daarvoor niet was. Daar zit natuurlijk waarheid in. Een kunstwerk ontstaat niet door alle betrokkenen bij elkaar op te tellen en vervolgens het gemiddelde te nemen. Er is altijd iemand die keuzes maakt, risico neemt, vakmanschap ontwikkelt en uiteindelijk iets doet wat een ander niet doet. Maar wie alleen naar de naam onder het werk kijkt, mist een deel van het verhaal. Auteurschap en de omstandigheden waarin iets kan ontstaan zijn twee verschillende dingen. Daar begint voor mij een volgende stap in het denken over de Living Helix.

Het atelier is minder leeg dan het lijkt

Neem een keramiste die alleen werkt. Geen medewerkers, geen assistenten, geen groot atelier. Ze ontwerpt zelf, vormt haar objecten, ontwikkelt haar glazuren, stookt de oven en beslist uiteindelijk wat de deur uitgaat. Individueler lijkt creatief werk nauwelijks te kunnen zijn. Totdat je wat langer kijkt.

De klei wordt ergens gewonnen en verwerkt. De oven bestaat dankzij specialistische kennis die anderen hebben ontwikkeld. Technieken zijn door generaties makers doorgegeven. Ooit heeft iemand haar leren draaien, glazuren of stoken. Wat ze maakt is beïnvloed door opleidingen, musea, boeken, tijdschriften, galeries en ander werk dat ze bewondert of juist verafschuwt. Zodra haar object het atelier verlaat, wordt de kring opnieuw groter. Er komt misschien een galerie bij, een fotograaf, een opdrachtgever, een verzamelaar, een criticus of een transporteur. Soms is er iemand nodig die financiert of een risico verzekerbaar maakt.

Niemand van hen maakt haar werk. Toch zou de loopbaan van dat werk er zonder hen anders uitzien. Het atelier kan dus werkelijk een eenzame plek zijn. Alleen staat het niet los van de wereld.

Creativiteit trekt zich weinig aan van sectoren

Dat is niet alleen een aardige observatie uit de kunstwereld. Volgens de OECD bevindt ruim 40 procent van de cultureel-creatieve werkgelegenheid zich buiten de formele culturele en creatieve sectoren. Ontwerpers werken in de auto-industrie, creatieve professionals in technologiebedrijven en zakelijke dienstverlening. Mensen die zich tussen creatieve en andere sectoren bewegen nemen kennis, vaardigheden en ideeën met zich mee.

Onze economische indelingen zijn blijkbaar overzichtelijker dan de werkelijkheid.

Een ontwerper komt een technisch bedrijf binnen en neemt een andere manier van kijken mee. Technologie uit een heel ander domein duikt jaren later op in een theaterproductie. Software die voor één toepassing is ontwikkeld, blijkt bruikbaar voor een filmmaker. Een architect voert een gesprek met een fotograaf en kijkt daarna anders naar ruimte.

Creatieve kennis reist.

Onderzoek van Nesta naar de relatie tussen creatieve industrieën en de rest van de economie laat iets vergelijkbaars zien. Bedrijven die relatief veel creatieve diensten inkopen blijken vaker productinnovaties te introduceren. Daarmee is uiteraard niet bewezen dat je innovatie kunt bestellen door meer designers in te huren. Het wijst er wel op dat creatieve kennis zich niet keurig binnen één sector laat opsluiten.

Voor de Living Helix is dat interessant omdat het de aandacht verplaatst. Minder naar de afzonderlijke spelers, meer naar wat er tussen hen gebeurt. Naar ideeën die van context veranderen, kennis die ergens anders opnieuw bruikbaar wordt en vakmanschap dat zich verspreidt zonder dat iemand precies kan aanwijzen wanneer dat gebeurde.

Een deel van de waarde zit ertussenin

We zijn goed in het meten van organisaties. Een onderneming heeft omzet. Een museum telt bezoekers. Een opleiding heeft studenten. Een zelfstandige verdient inkomen. Een productie kent kosten en opbrengsten. Daar valt mee te rekenen.

Een creatief ecosysteem bevat daarnaast allerlei bewegingen die veel moeilijker op een spreadsheet passen. Een fotograaf praat met een architect en die ziet opeens iets wat hij daarvoor niet zag. Een materiaalonderzoeker ontmoet een modeontwerper. Een techniek krijgt ergens anders een tweede leven. Een ontwerper neemt kennis uit de ene opdracht mee naar de volgende. Niemand bezit die beweging volledig, terwijl ze voor innovatie behoorlijk belangrijk kan zijn. Dat betekent zeker niet dat elke ontmoeting nuttig is. Zet honderd creatieve mensen bij elkaar en er kan ook gewoon honderd keer niets gebeuren.

Nesta wijst er in onderzoek naar creatieve clusters juist op dat concentratie op zichzelf onvoldoende is. De verbinding met andere bedrijven, kennisbronnen, opdrachtgevers en werelden buiten het cluster doet ertoe.

Een stad kan dus vol ontwerpers, makers en kunstenaars zitten zonder dat daar vanzelf een levend ecosysteem uit voortkomt. De interessantere vraag is wat er tussen die mensen kan circuleren. Kan iemand na zijn opleiding ergens experimenteren? Komt een maker mensen uit andere disciplines tegen? Vindt nieuwe technologie zijn weg naar de creatieve praktijk? En kan kennis die daar ontstaat vervolgens weer elders terechtkomen? Een ecosysteem is uiteindelijk meer dan een verzameling adressen.

Ideeën verdwijnen zelden helemaal

Creatieve processen passen ook slecht in onze gebruikelijke verdeling tussen succes en mislukking. Een ontwerp wordt afgewezen maar levert wel kennis op. Een prototype werkt niet en voorkomt later drie andere fouten. Een film komt er nooit, maar een scène ervan duikt jaren later ergens anders op. Een gesprek levert geen opdracht op, wel een relatie. Tijdens een mislukte repetitie ontstaat precies het idee waarop later een voorstelling rust. Boekhoudkundig kunnen zulke activiteiten een rendement van nul hebben. In een creatieve praktijk hoeft dat weinig te zeggen.

Ideeën kunnen lang blijven rondzingen. Ze veranderen van vorm, raken iets anders, verhuizen naar een andere context of blijken pas jaren later bruikbaar. Dat maakt efficiency in creatieve omgevingen een ingewikkeld begrip. Wanneer van elke activiteit vooraf aantoonbaar moet zijn wat ze oplevert, verdwijnen al snel de dingen waarvan de waarde vooraf juist niet bekend is: experiment, nieuwsgierigheid, spel, een omweg of een gesprek zonder agenda. Een deel daarvan zal inderdaad nergens toe leiden. Dat hoort erbij. Wie alleen ruimte laat voor voorspelbare uitkomsten, wordt vooral steeds beter in wat hij al kan.

Armoede is geen artistieke kwaliteit

Daar moet wel iets bij worden gezegd, want rond creativiteit ontstaat gemakkelijk romantiek. Vrijheid, experiment, toeval, eigenzinnigheid: het zijn aantrekkelijke woorden. Voor je het weet wordt ook economische onzekerheid onderdeel van dat verhaal. Alsof een kunstenaar vanzelf interessanter werk maakt wanneer hij zijn huur nauwelijks kan betalen. Daar is weinig romantisch aan. UNESCO wijst al jaren op de kwetsbare arbeidspositie van kunstenaars en culturele professionals, de beperkte sociale bescherming en problemen rond eerlijke beloning. Digitale platforms hebben de verspreiding van cultureel werk veranderd, maar niet vanzelfsprekend de positie van degene die het maakt. Het verschil tussen artistieke en economische onzekerheid is hier essentieel. Een maker kan gebaat zijn bij het niet precies weten waar een onderzoek, compositie of ontwerp eindigt. Dat is onderdeel van het creatieve proces. Niet weten of je volgende maand je rekeningen kunt betalen is iets anders. Dat vergroot je vrijheid niet vanzelf; het kan haar juist beperken. Precariteit is geen creatieve methode.

Wie krijgt uiteindelijk wat?

Muziek laat goed zien hoe ingewikkeld de waardeketen inmiddels is. Een productie kan afhankelijk zijn van een componist, tekstschrijver, musici, producer, studio, software, label, distributie, streamingplatform, media, algoritmen en publiek. Bij film, gaming, architectuur en theater wordt die onderlinge afhankelijkheid vaak nog zichtbaarder. Toch schuiven we in het verhaal over succes meestal één naam naar voren. Daar is op zichzelf niets mis mee. Collectieve afhankelijkheid betekent niet dat iedere bijdrage gelijk is en even zwaar moet worden beloond. Auteurschap speelt een rol, net als investering, eigendom, ondernemerschap, risico, reputatie en schaarste. Voor een ecosysteem is een andere kwestie interessanter: komt er genoeg waarde terug bij de onderdelen die nodig zijn om later opnieuw iets te kunnen maken? Een creatieve economie kan jaren succesvol lijken terwijl ze langzaam haar eigen voedingsbodem aantast. Werkruimtes verdwijnen. Kleine podia redden het niet. Makers worden structureel onderbetaald. Opleidingen verschralen. Alleen mensen met financiële reserves kunnen zich nog een experimentele periode veroorloven. Er zal ook dan nog indrukwekkend werk verschijnen. Alleen wordt de groep mensen die het zich kan veroorloven om dat werk te maken steeds kleiner. Daarmee is het behalve een sociaal ook een innovatievraagstuk.

De infrastructuur die je niet op een ansichtkaart ziet

Bij creatieve infrastructuur denken we gemakkelijk aan musea, festivals, theaters, ateliers en broedplaatsen. Maar een contract is ook infrastructuur. Net als toegang tot financiering, juridische kennis, een betaalbare werkruimte, sociale bescherming, een financiële buffer en een verzekering voor risico’s die een individuele maker niet zelf kan dragen. Geen van die dingen levert een goed idee op. Ze bepalen wel hoeveel ruimte iemand heeft om een goed idee te volgen.

Een zelfstandige die iedere tegenvaller persoonlijk moet opvangen maakt andere keuzes dan iemand met enige financiële weerbaarheid. Wie geen buffer heeft, neemt misschien een opdracht aan die weinig aan zijn ontwikkeling toevoegt omdat de huur betaald moet worden. Een maker die juridisch zwak staat tegenover een grote opdrachtgever kan zich minder gemakkelijk veroorloven om slechte voorwaarden te weigeren. Financiële zekerheid maakt niemand creatief. Ze kan wel voorkomen dat alle energie naar overleven gaat. Daarmee verandert ook de beleidsvraag. Het gaat niet alleen om hoeveel cultuur of creativiteit een stad, sector of regio vandaag produceert. Minstens zo relevant is of mensen daar over tien jaar nog steeds de ruimte hebben om iets te maken.

Talent is geen grondstof

Steden willen talent aantrekken. Regio’s ontwikkelen talentprogramma’s. Bedrijven voeren een war for talent. Het taalgebruik verraadt al iets van de gedachte erachter. Talent bevindt zich ergens, wij halen het hierheen en vervolgens zetten we het in. Zo werkt een creatieve praktijk zelden. Iemand ontwikkelt zich in relatie tot een omgeving. Betaalbare ruimte speelt mee, net als goede opleidingen, interessante collega’s, opdrachtgevers, podia, financiering, culturele vrijheid, publiek en plekken waar mensen elkaar zonder vooraf vastgesteld doel kunnen ontmoeten. Daarom vind ik een andere vraag interessanter dan: hoe trekken we talent aan? Waarom zou een goede maker hier over tien jaar nog willen en kunnen werken? Dat is voor mij habitatdenken. Een overheid kan zo’n omgeving niet bestellen alsof het een vastgoedproject is. Ze kan er wel voorwaarden voor helpen beschermen. Ruimte beschikbaar houden, drempels wegnemen, financiering mogelijk maken, infrastructuur verzorgen en bestaande verbindingen versterken. Talent laat zich niet voorschrijven. Het kan wel verdwijnen wanneer een omgeving jarenlang verwaarloosd wordt.

Samenwerking is niet hetzelfde als harmonie

In opgewekte verhalen over ecosystemen verdwijnt gemakkelijk dat mensen en organisaties verschillende belangen hebben. Een streamingplatform en een muzikant hebben elkaar nodig en kunnen tegelijk lijnrecht tegenover elkaar staan over de verdeling van inkomsten. Een galerie en een kunstenaar willen allebei verkopen, maar hoeven het niet eens te zijn over de voorwaarden. Een opdrachtgever wil kwaliteit tegen een aantrekkelijke prijs; de maker wil kwaliteit én voldoende tijd en inkomen om die te leveren. Samenwerking sluit conflict dus helemaal niet uit. Sterker nog, juist in een ecosysteem wordt macht interessant. Wie verdeelt het geld? Wie krijgt toegang tot een podium? Wie bepaalt welk talent zichtbaar wordt? Wie bezit de distributie? Wie kan nee zeggen tegen een slechte overeenkomst en wie kan zich dat niet veroorloven? Een ecosysteemperspectief lost zulke spanningen niet op. Het helpt vooral om ze te zien. Daar ligt ook een grens aan een al te vriendelijke interpretatie van de Living Helix. Het is geen oproep om iedereen met iedereen te laten samenwerken. Het gaat om de feitelijke afhankelijkheden: waar waarde ontstaat, hoe die zich verplaatst, waar iets vastloopt en waarom sommige delen sterker worden terwijl andere langzaam verschralen.

Het genie mag gewoon blijven bestaan

Daarmee hoeft het idee van uitzonderlijk talent helemaal niet te verdwijnen. Sommige mensen zijn uitzonderlijk goed in wat ze doen. Ze zien iets wat anderen niet zien, ontwikkelen een bijzonder vakmanschap of maken iets wat niemand anders op precies die manier had kunnen maken. Een ecosysteemperspectief maakt zo iemand niet minder bijzonder. Het stelt alleen een extra vraag: wat moest er aanwezig zijn om dat talent de kans te geven zich te ontwikkelen? Autonomie is tenslotte iets anders dan onafhankelijkheid. Een maker heeft vrijheid nodig om iets te doen wat zijn omgeving nog niet verwacht. Tegelijk moet die omgeving voldoende sterk zijn om dat mogelijk te maken. Te veel controle maakt werk voorspelbaar. Te weinig infrastructuur jaagt talent weg. Commerciële zekerheid kan experiment verstikken, maar economische onzekerheid kan experiment veranderen in iets wat alleen nog is weggelegd voor mensen die het zich kunnen veroorloven. Dat spanningsveld verdwijnt nooit helemaal. Het schuift voortdurend. Precies daar wordt de Living Helix voor mij bruikbaar. Niet als weer een schema met pijlen tussen overheid, bedrijfsleven, onderwijs en samenleving, maar als een manier om te kijken naar wat er tussen die partijen beweegt: kennis, geld, vertrouwen, ideeën, mogelijkheden en betekenis. En uiteindelijk ook naar de individuele maker die zich daar ergens tussen bevindt. Achter het werk dat uiteindelijk in een museum, winkel, theater, bioscoop of huiskamer terechtkomt, zitten leraren, collega’s, materialen, technologie, opdrachtgevers, publiek, kritiek, instituties, geld, toeval en tijd. De naam onder het werk kan nog steeds van één persoon zijn. Dat werk is alleen nooit uit het niets gekomen. Het genie werkt nooit alleen.

Bronnen

Bakhshi, Hasan, Eric McVittie, and James Simmie. Creating Innovation: Do the Creative Industries Support Innovation in the Wider Economy? London: NESTA, 2008.

Chapain, Caroline, Phil Cooke, Lisa De Propris, Stewart MacNeill, and Juan Mateos-Garcia. Creative Clusters and Innovation: Putting Creativity on the Map. London: NESTA, 2010.

OECD. The Culture Fix: Creative People, Places and Industries. Paris: OECD Publishing, 2022.

UNESCO. Re|Shaping Policies for Creativity: Addressing Culture as a Global Public Good. Paris: UNESCO, 2022.

Kunsthistoricus en Bouwkunde PhD. Gefascineerd door alles wat met merken te maken heeft. De kiem werd hiervoor gelegd bij FHV/BBDO. Deelt zijn expertise met anderen en discussieert graag. Kijkt naar de ander in het frame van de homo ludens, -universalis en uiteindelijk de -economicus. Geloof in eigen kracht en authenticiteit. Peter is co founder van oddny.eu

Categorie

Plaats reactie

Marketingfacts. Elke dag vers. Mis niks!