Too little, too late? Het nieuwe Beroeps- en Opleidingsprofiel Beeldende Kunst & Design
Het Financieele Dagblad kopte onlangs: ‘Advocatenkantoren zien deel van hun werk rap verdwijnen door AI’. Grote kantoren richten zich daardoor steeds meer op complexe, specialistische zaken. Harvard Business Review ziet een vergelijkbare verschuiving bij softwareontwikkelaars, waar de waarde steeds minder ligt in programmeren en steeds meer in architectuur, ontwerp en professioneel oordeel. En volgens Wall Street Journal verandert ook de advieswereld: routinetaken worden geautomatiseerd, terwijl implementatie, verandermanagement en het begeleiden van organisaties juist belangrijker worden.
Ontwikkelingen gaan nu zo verschrikkelijk snel en we merken de gevolgen in de creatieve industrie ook. Werk valt weg. Bedrijven gaan meer ontwerpwerk in huis doen. Tegelijkertijd staat de sector zelf ook niet stil en zijn bureaus hard bezig met het inschatten van de consequenties voor henzelf en het anticiperen op de veranderende vraag. Een richting die daarbij steeds naar boven komt, is de opschuiving van de uitvoering naar strategie. En daarmee ook die van leverancier naar partner.
In 2025 verscheen het nieuwe Beroeps- en Opleidingsprofiel Beeldende Kunst & Design, het landelijke referentiekader voor de Nederlandse kunst- en designacademies. Het beschrijft hoe de beroepspraktijk verandert en welke competenties toekomstige kunstenaars en ontwerpers nodig hebben. Het geeft daarmee richting aan de ontwikkeling van de curricula van de Nederlandse kunst- en designacademies.
Sluit het nieuwe profiel aan op de realiteit van vandaag
Aan de ene kant biedt het profiel goed nieuws, want het is geschreven vanuit de erkenning dat ontwerpers vrijwel altijd in relatie tot anderen werken. Het laat zien dat het beroepsbeeld van de ontwerper de afgelopen jaren ingrijpend is veranderd. De nadruk verschuift van de autonome maker naar de ontwerper die opereert in een maatschappelijke en organisatorische context. Ontwerpers worden geacht samen te werken, processen te begeleiden, strategieën te ontwikkelen en onderdeel te zijn van grotere ecosystemen. Het document spreekt expliciet over een beweging van individueel naar collectief en van technieken naar methodieken en strategieën.
Dat vertaalt zich ook naar competenties. Samenwerken met professionals uit andere disciplines, systemisch denken, participeren in multidisciplinaire teams en het ontwikkelen van nieuwe praktijken krijgen een prominente plaats. En ‘Werken in een praktijk’ wordt benoemd als een van de vier kerncompetenties, waarbij organiseren, communiceren, netwerken en ondernemerschap nadrukkelijk onderdeel zijn van het vak.
De opleidingen richten zich daarmee veel meer op de buitenwereld, en dat klopt met de praktijk waarin ontwerpers steeds vaker opereren binnen organisaties en complexe samenwerkingsverbanden.
Maar is het genoeg?
Ik geef al jaren trainingen aan ontwerpers met een gevestigde praktijk. Wat me daarbij opvalt: ze zijn over het algemeen sterk op zichzelf en hun vakgebied gericht. Een bredere oriëntatie op organisaties en de dynamiek daarbinnen ontbreekt vaak. Terwijl dat wel nodig is om de aansluiting te vinden op organisaties, hen te helpen met strategie en om de rol als partner serieus in te vullen.
In het Beroeps- en Opleidingsprofiel komt dat deel ook niet aan bod. Er wordt nauwelijks ingegaan op vaardigheden als het begrijpen van besluitvormingsprocessen, het omgaan met bestuurders en interne stakeholders, het opbouwen van draagvlak, het begeleiden van verandering of het adviseren zonder formele bevoegdheid. Organisaties verschijnen in het profiel vooral als de context waarin ontwerpers werken, niet als complexe sociale systemen die zij moeten leren begrijpen en beïnvloeden.
En je kunt natuurlijk zeggen, dat is niet de taak van de kunst- en designopleidingen, maar als je constateert dat een belangrijk deel van de ontwerpers uiteindelijk terechtkomt bij ontwerpbureaus, overheden, zorgorganisaties, corporates en innovatie- of transitieprogramma’s, dan bestaat een belangrijk deel van hun werk uit het navigeren binnen organisaties: begrijpen hoe besluiten tot stand komen, wie invloed heeft, hoe belangen samenkomen en hoe ontwerp kan worden vertaald naar de taal van management en bestuur.
Interessant is de vergelijking met industrieel ontwerpers. In mijn ervaring vinden zij vaak gemakkelijker hun weg binnen organisaties. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de manier waarop zij worden opgeleid. Aan de TU Delft en TU Eindhoven staat het oplossen van complexe maatschappelijke en technologische vraagstukken centraal. Ontwerpen wordt er benaderd als een systematisch proces waarin theorie, onderzoek en projectonderwijs voortdurend samenkomen.
Ook de CMD-opleidingen (Communication & Multimedia Design) nemen een interessante tussenpositie in. Waar de technische universiteiten vertrekken vanuit complexe vraagstukken en de kunstacademies vanuit de ontwikkeling van de ontwerper, staat bij CMD de gebruiker centraal. Studenten leren digitale producten, diensten en interacties ontwerpen op basis van gebruikersonderzoek, prototyping en samenwerking met opdrachtgevers. Daarmee is de verbinding met organisaties sterker aanwezig dan op veel kunstacademies, al blijft de nadruk vooral liggen op het ontwerpen vóór organisaties en hun gebruikers, en minder op het begrijpen van organisaties als sociale en bestuurlijke systemen.
De kunst- en designacademies vertrekken juist vanuit de ontwikkeling van de ontwerper zelf. Studenten ontwikkelen eerst een eigen visie, signatuur en onderzoekspraktijk, waarna zij die identiteit leren toepassen in de beroepspraktijk. Die verschillende uitgangspunten lijken ook te leiden tot een ander perspectief op de rol van de ontwerper binnen organisaties.
Of, platgeslagen, de kunstacademie vormt de maker. De CMD-opleiding vormt de gebruikersgerichte ontwerper. De universiteit vormt de probleemoplosser en innovator. En de praktijk vraagt steeds vaker om een vierde profiel: de ontwerper die organisaties begrijpt, mensen verbindt en verandering helpt realiseren.
Wat ik in mijn trainingen keer op keer zie ontbreken, is niet vakmanschap – dat zit meestal wel goed – maar het vermogen om binnen een organisatie te lezen wat er speelt. Wie beslist en op basis waarvan. Waar weerstand zit, en waarom die er niet zonder reden is. Hoe je een ontwerpvoorstel vertaalt naar een taal die een directie of een raad van bestuur kan wegen: risico, investering, tijdlijn. Dat zijn geen designvaardigheden in de klassieke zin, maar zonder die vaardigheden blijft een ontwerper, hoe goed hij ook is, afhankelijk van een opdrachtgever die toevallig begrijpt, of niet, wat hij aanbiedt.
Mijn pleidooi is al jaren: besteed veel meer aandacht aan de competenties van ontwerpers, hun denkvermogen, hun tools en processen en hun vermogen om het abstracte concreet te maken. En verbind die competenties met de dynamiek en realiteit van organisaties. Dat is waar de kansen liggen.
Dat nieuwe Beroeps- en Opleidingsprofiel Beeldende Kunst & Design is een flinke stap in de goede richting, maar onderwijs en onderwijsverandering is een traag proces – en het tempo waarin AI het vak nu al herschikt, wacht niet op de totstandkoming van een curriculum.
Dan vraag ik me ernstig af: Is het too little, too late?
Headerfoto: Payton Tuttle | Unsplash
Plaats reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.