Wie draagt het risico van cultuur?

Wat het Tapijt van Bayeux en publieke garanties zeggen over creatieve waarde in Europa.

26 januari 2026, 09:40 163 x gelezen

Onlangs las ik over de reis die het Tapijt van Bayeux binnenkort zal maken: terug naar het land waar de veldslag die het verbeeldt ooit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Een werk dat zich leest als een stripverhaal avant la lettre, vol kleine anekdotes en details – bijna speels, maar juist daardoor onverbiddelijk in het tonen van de rauwheid van oorlog.

Het is ook een fysiek overweldigend object: ongeveer 68,3 meter lang en zo’n 50 centimeter hoog. Een monument in textielvorm, dat zich niet laat overzien in één blik, maar alleen door mee te lopen – scène na scène – alsof de tijd zelf wordt uitgerold.

Mijn aandacht bleef hangen bij één detail: het bedrag waarvoor het tapijt verzekerd zou worden. Zo’n getal dat onmiddellijk schuurt. Te groot om echt te bevatten, te precies om puur symbolisch te zijn, en toch beladen met betekenis.

Ik stuurde een berichtje naar collega en schade-expert Jetse de Vries. Niet omdat ik het bedrag wilde checken, maar omdat ik voelde dat hier meer achter zat.

‘Hoe werkt zo’n waardebepaling eigenlijk?’, vroeg ik hem.

Over wat voor waarden hebben we het hier? En welke risico’s zijn nu werkelijk verzekerd?

Jetse reageerde nuchter, zoals altijd.

‘Zo’n bedrag is geen marktprijs’, schreef hij. ‘Niemand denkt serieus aan verkoop. Het is een manier om vast te leggen welk verlies we als samenleving onacceptabel vinden. Verzekeren gaat hier niet over vervangbaarheid, maar over erkenning.’

Dat antwoord blijft hangen. Want als verzekeren hier geen technische exercitie is, maar een culturele uitspraak – wat zegt dat dan over de manier waarop we met kunst omgaan?

Een publieke oplossing voor een publiek belang

Toen bekend werd dat het Tapijt van Bayeux in 2026 voor het eerst in meer dan negen eeuwen naar Engeland terugkeert, ging de meeste aandacht uit naar het duizelingwekkende bedrag waarvoor het verzekerd zou worden: ongeveer 800 miljoen pond. Dat bedrag roept verbazing op, maar het echte verhaal zit niet in de hoogte van de som. Het zit in de manier waarop dat risico wordt gedragen.

Het tapijt valt onder de Britse Government Indemnity Scheme: een regeling waarbij de staat zelf optreedt als verzekeraar voor kunst- en erfgoedobjecten die tijdelijk worden uitgeleend aan musea. Geen commerciële polis, geen marktprijs, maar een publieke garantie. De boodschap is impliciet maar krachtig: dit culturele object is zo belangrijk dat de samenleving het risico gezamenlijk draagt.

De regeling heeft een praktische oorsprong. Grote musea zouden zonder staatsgarantie nauwelijks in staat zijn om topstukken te lenen; commerciële verzekeringspremies zouden tentoonstellingen financieel onhaalbaar maken. Door het risico bij de staat te leggen, worden internationale bruiklenen mogelijk en krijgt het publiek toegang tot cultureel erfgoed dat anders achter gesloten deuren zou blijven.

Maar de regeling doet meer dan kosten besparen. Ze maakt een principiële keuze zichtbaar: sommige culturele objecten worden niet primair als economische goederen gezien, maar als collectief bezit. Hun waarde ligt niet in wat ze ooit zouden kunnen opbrengen op een markt, maar in wat de samenleving zou verliezen als ze beschadigd of vernietigd raken.

Erfgoed krijgt zekerheid, makers krijgen voorwaarden

Voor hedendaagse makers – beeldend kunstenaars, ontwerpers, muzikanten, schrijvers – bestaat zo’n vangnet zelden. Wanneer zij werk exposeren, uitlenen of internationaal presenteren, zijn zij afhankelijk van commerciële verzekeringen, tijdelijke afspraken met instellingen of eigen financiële buffers. Verzekeringskosten drukken direct op productiebudgetten en honoraria. Schade of verlies kan grote persoonlijke gevolgen hebben.

Het verschil tussen erfgoed en hedendaagse creatie is hier niet artistiek, maar institutioneel. De Government Indemnity Scheme beschermt wat al erkend is als cultureel essentieel. Nieuw werk, experimentele vormen en levende makers vallen vrijwel altijd buiten dat kader. Hun werk functioneert binnen marktlogica: vraag, zichtbaarheid en verkoopbaarheid bepalen de waarde, niet collectieve bescherming.

Dat onderscheid is begrijpelijk, maar ook veelzeggend. Het laat zien dat cultuurbeleid twee verschillende talen spreekt. Over het verleden wordt gesproken in termen van behoud en bescherming. Over het heden in termen van stimulering en ondernemerschap.

Marktwaarde versus culturele waarde

Wat opvalt aan de Government Indemnity Scheme is hoe los de verzekerde bedragen staan van de markt. De waardering van 800 miljoen pond voor het Bayeux-tapijt is geen realistische verkoopprijs, maar een symbolische en politieke uitspraak. Ze drukt uit welk verlies de samenleving onacceptabel acht.

Dat betekent niet dat kunstenaars, musea of galerieën in de praktijk alle risico’s zelf moeten dragen. In Nederland bestaan uitstekende verzekeringsmogelijkheden. Kleine kunstvoorwerpen vallen vaak onder standaard brand- en inboedelverzekeringen; voor waardevolle collecties zijn er gespecialiseerde kunstverzekeraars en verzekeringstussenpersonen. De kosten van die bescherming zijn doorgaans gekoppeld aan de marktwaarde. Wanneer reguliere verzekeraars het risico niet alleen willen dragen, kan herverzekering plaatsvinden via de Nederlandse assurantiebeurs of via internationale partijen zoals Lloyd’s.

Maar hier stuit verzekerbaarheid op zijn grens. Kunst is emotie. Marktwaarde laat zich in polissen vangen; culturele en emotionele waarde niet. Geen enkele verzekering dekt het verlies van betekenis, herinnering of identiteit dat ontstaat wanneer een object verdwijnt of wordt beschadigd.

Hedendaagse creatie kent zelden zo’n waardekader. De waarde van nieuw werk wordt gemeten in bereik, inkomsten of subsidies. Risico’s – artistiek, financieel, juridisch – worden geïndividualiseerd. Wie experimenteert, neemt risico. Wie faalt, draagt de gevolgen.

Daarmee ontstaat een paradox: cultuur wordt pas volledig beschermd wanneer zij oud genoeg is om als erfgoed te gelden. De voorwaarden waaronder toekomstig erfgoed ontstaat, blijven grotendeels onbeschermd.

Europa: veel ondersteuning, weinig risicodeling

Op Europees niveau bestaat geen equivalent van de Britse staatsgarantie. De Europese Unie ondersteunt cultuur via subsidies, samenwerkingsprogramma’s en regelgeving. Programma’s als Creative Europe stimuleren mobiliteit, productie en internationale uitwisseling. Wetgeving richt zich op auteursrecht, erfgoedbescherming en recent ook op AI en creativiteit.

Wat ontbreekt, is een expliciet beleid voor risicodeling. Europese cultuurpolitiek faciliteert, maar verzekert niet. Culturele waarde wordt erkend, maar het financiële risico blijft meestal bij instellingen en makers liggen.

Nederland: bescherming van erfgoed, ondersteuning van makers

In Nederland ligt de verantwoordelijkheid voor cultuur en erfgoed bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Erfgoedwet beschermt cultureel erfgoed via zorgplichten, eigendomsregels en exportbeperkingen. Ook hier geldt: erkend erfgoed heeft een bijzondere status en kan rekenen op publieke bescherming.

Nederlandse musea zijn doorgaans verzekerd, maar bij topstukken neemt de staat een aanzienlijk deel van het risico zelf. De Nachtwacht is daarvan het bekendste voorbeeld: een werk waarvan het verlies of de beschadiging zo onacceptabel wordt geacht dat volledige commerciële verzekering onrealistisch is.

Voor hedendaagse makers loopt ondersteuning via andere instrumenten, zoals het Mondriaan Fonds. Subsidies maken productie en presentatie mogelijk, maar nemen het risico niet weg. Ze zijn tijdelijk, projectmatig en competitief. Schade, mislukking of economische onzekerheid blijven individuele verantwoordelijkheid.

Een recente casus maakt die scheidslijn scherp zichtbaar. Bij de tentoonstelling Dacia – Rijk van goud en zilver in het Drents Museum verdwenen een Romeinse helm en meerdere gouden armbanden, in bruikleen van het Nationaal Historisch Museum in Boekarest. De objecten zijn van groot symbolisch belang voor Roemenië: kunst uit deze periode staat voor het Latijnse karakter van het land en herinnert eraan dat Dacia deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Roemenië is bovendien het enige Oost-Europese land met een Romaanse taal.

Desondanks was de Roemeense staat niet bereid dit nationale erfgoed zelf te verzekeren en werd de schade geclaimd bij het Drents Museum. Dankzij een verzekering, deels gedekt door een overheidsgarantie, kon het schadebedrag van circa 5,7 miljoen euro worden uitgekeerd. De emotionele en symbolische schade bleef onverzekerbaar.

Epiloog

Aan het eind van ons gesprek komen Jetse en ik steeds weer bij hetzelfde punt uit. Er zit een gapend gat in het systeem. Niet in de techniek van verzekeren, maar in de manier waarop we culturele waarde organiseren.

‘Voor kunst waar maatschappelijke en politieke consensus over bestaat’, zegt Jetse, ‘zijn we bereid risico’s collectief te dragen. Dan stappen staten in als verzekeraar. Dan accepteren we dat marktlogica tekortschiet.’

Dat geldt voor het Tapijt van Bayeux, voor de Nachtwacht; voor erfgoed waarvan we collectief hebben besloten dat verlies onaanvaardbaar is.

Maar die bereidheid stopt vrijwel volledig bij kunst die vandaag wordt gemaakt. Door levende makers. In een fase waarin betekenis nog niet vaststaat, waarin falen mogelijk is en experiment noodzakelijk. Voor dat werk geldt: marktwaarde, tijdelijke subsidies, individueel risico.

‘Eigenlijk’, vat Jetse samen, ‘verzekeren we het verleden en individualiseren we het risico van het heden.’

Dit is geen pleidooi om alle hedendaagse kunst staatsverzekerd te maken, maar het dwingt wel tot een ongemakkelijke vraag: wanneer vinden we kunst belangrijk genoeg om het risico samen te dragen?

Misschien ligt het antwoord niet in nieuwe polissen, maar in een andere culturele houding. In het besef dat waarde niet pas ontstaat wanneer consensus is bereikt, maar juist in de fase daarvoor. Wanneer werk kwetsbaar is. Wanneer uitkomst onzeker blijft.

Verzekeren blijkt dan geen puur financiële handeling, maar een morele keuze. Een uitspraak over wat we als samenleving de moeite waard vinden om te beschermen.

Niet alleen wat geschiedenis is, maar ook wat geschiedenis zou kunnen worden

 

Dit artikel is geschreven door Peter Guido de Boer en Jetse de Vries, januari 2025.

Bronnen
British Museum. “Bayeux Tapestry Loan Announcement.” Geraadpleegd 2025.
European Commission. Creative Europe Programme. Brussel: Europese Unie.
Europese Unie. EU Artificial Intelligence Act. Brussel, 2024.
Financial Times. “UK Treasury to Insure Bayeux Tapestry for £800m.” Geraadpleegd 2025.
HM Treasury. Government Indemnity Scheme. Londen: UK Government.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Erfgoedwet. Den Haag.
Mondriaan Fonds. Regelingen en beleidskader. Amsterdam.
NRC. “In Roemenië staat de gestolen helm van Cotofenesh op de voorkant van schoolboeken.” 6 mei 2025.
RTV Drenthe. “Roemeens museum ontvangt miljoenen om gestolen helm en armbanden.” 20 september 2025.

Kunsthistoricus en Bouwkunde PhD Gefascineerd door alles wat met merken te maken heeft. De kiem werd hiervoor gelegd bij FHV/BBDO. Deelt zijn expertise met anderen en discussieert graag. Kijkt naar de ander in het frame van de homo ludens, -universalis en uiteindelijk de -economicus. Geloof in eigen kracht en authenticiteit.

Categorie
Tags

Plaats reactie

Marketingfacts. Elke dag vers. Mis niks!