De zomer komt er weer aan, en dus zal Marco Derksen ongetwijfeld weer een boekenlijstpost plaatsen. Daarop vooruitlopend en daarop inhakend een viertal boekrecensies van mijn hand de komende maand: The Future of the Internet,, Niche Envy,Creative Explorations, maar om te beginnen Tribes.Tribes is het nieuwste boek van marketinggoeroe Seth Godin, bekend van Purple Cow, Meatball Sunday en The Dip. Tribes gaat over groepen en leiderschap, en is mijns inziens een van zijn betere werken.
De essentie van het boek is in quote samen te vatten; “You can’t have a tribe without a leader, and you can’t be a leader without a tribe”. Volgens Godin was het nog nooit zo makkelijk om een leider te worden. Ten eerste is er een wildgroei aan tools (Twitter, Facebook, Ning, Meetup, etc..), die je kunnen helpen een ‘tribe’ (stam) te organiseren. Ten tweede is het veel makkelijker een wereldwijd publiek te bereiken en groeien kon nog nooit zo snel. Daarom zijn ook relatief kleine groepen levensvatbaar.
Google presenteerde deze week de eerste resultaten van neurologisch onderzoek naar mogelijkheden om munt uit YouTube te slaan. De resultaten zijn overtuigend. Door transparante beeldmerken met de video te vermengen, wordt de emotionele betrokkenheid, brandrecognition en vooral effectiviteit van de campagne verhoogd. Google’s missie om alle informatie ter wereld inzichtelijk te maken kent geen grenzen. En, de consument vindt de advertenties minder irritant, zo meldt Google blij.
Wat een prachtige troefkaart voor de structuralisten dacht ik onmiddellijk. “De dood van de mens” van Michel Foucault galmde door mijn hoofd. De mens die zich opsluit in zijn eigen structuur, waarbij het uiteindelijk de structuur is die de mens dicteert in plaats van andersom.
De afgelopen jaren stond de zin van reageren ter discussie. Reinder Rustema schreef voor De Nieuwe Reporter “Krantensites moeten geen reacties toestaan onder artikelen”. Het is te gemakkelijk een quote te scoren op een van de bekende sites, maar het staat als een paal boven water dat de meerderheid van de reacties op nieuwssites niet bijdragen aan de beoogde discussie. Zoals ik al eerder schreef, is de online discussie (grotendeels) slechts een illusie. Hoe breder de website hoe lager de inhoudelijke kwaliteit van de reacties. Enkel gespecificeerde websites slagen er af en toe in inhoudelijke discussies op gang te brengen.
De column van Theo van Vugt van Molblog en Tijdschrift voor Marketing blies die discussie weer nieuw leven in. Het kost veel tijd, en levert inhoudelijk nauwelijks wat op.
Retailers staan onder druk van de prijsvechters op internet. De elektronicaboer moet het tegenwoordig volgens mij vooral van service hebben. De huidige generatie elektronica is de storingsgevoeligste ooit. Laptops, mobiele telefoons en zelfs auto’s bezitten steeds meer elektronica, waardoor de kans op storing steeds groter wordt. Over problemen met de ‘next-gen consoles’ staat het internet volgeschreven, het aantal XBox-en en Playstation’s die het nog wel doen lijkt in de minderheid. Daar liggen kansen zou je zeggen, bijna iedere klant heeft wel een aantal producten die het eind van hun garantietermijn niet hebben gehaald. Bovendien stijgt het aantal producten in het gemiddelde huishouden. Het tegendeel is echter waar, wie fora, shopreviews en social media afspeurt ziet dat online retailers het steevast beter doen. Webcare is dan slechts symptoombestrijding, in plaats van een remedie.
Waarschijnlijk mede door het charismatische karakter van- en gezag voor Chris Anderson heeft het lang geduurd voordat er serieuze kritiek kwam op The Long Tail. Maar bijna 2 jaar later was het dan zover; deze zomer kwam de wetenschapster Anita Elberse met het artikel "Should You Invest in the Long Tail?". Elberse concludeerde aan de hand van gegevens van Nielsen, de muziekdienst Rhapsody en de dvd-verhuurder Quickflix, exact het tegenovergestelde dan Anderson over The Long Tail. Heel even leek het erop alsof de discussie rond The Long Tail los zou barstten. Anderson reageerde op zijn blog dat Elberse's definitie van 'kop' en 'staart' niet overeenkwamen met de zijne en dat zij over percentages schreef in plaats van absolute getallen. Genoeg om over te discussiëren zou je zeggen, maar de vakantie kwam en het viel het stil.
Ongeveer een jaar geleden kwam The Future of the Internet (gratis te downloaden) van Jonathan Zittrain uit, maar kreeg hier tot op heden nog weinig aandacht. Onterecht, wat mij betreft. Zittrain schrijft wellicht een te technisch (nerdy) boek, maar de zorgen die hij uit, zijn wel degelijk van belang.
Volgens Zittrain is door ‘generativity’ het web geworden wat het is. Met generativity bedoelt hij de mogelijk om zonder afhankelijk te zijn van de makers zelf toe te voegen, aan in dit geval het internet. Doordat bedrijven een steeds grotere vinger in de pap krijgen staat die generativity onder druk. Denk bijvoorbeeld aan Apple die iPhone applicaties goed moet keuren, alvorens ze in de App store verschijnen.
Toen bij Skoeps op 1 mei de stekker eruit getrokken werd, moest ik gelijk denken aan een meningsverschil met Edwin Valent, het nieuwe hoofd nieuwe media bij de Vara, op zijn weblog, over een artikel die hij schreef vlak voor DNA 2008: “Na de krant het journaal aan de beurt?” Het fenomeen tijd is volgens Valent het grootste probleem van het journaal. We hebben het nieuws al op internet gelezen, en om 8 uur hebben we geen tijd om het journaal te kijken. Het journaal gaat de krant achterna. ‘Een krant blijft mijn inziens gewoon een samenvatting van wat je gisteren gemist hebt.’ Marco Derksen merkte in 2004 al op dat de redacties van het journaal moeite hebben de talloze internetredacties bij te houden.
Wat is dan het bestaansrecht nog? Hans Laroes antwoordde na DNA 2008 in een interview met geencommentaar.nl als volgt: “Als niemand kijkt, dan stop je ermee”. Zover is het nog niet met 2 miljoen kijkers, maar ik geloof persoonlijk ook niet dat ooit zover komt.
De 5 belangrijkste redenen waarom het journaal blijft bestaan, en hoe het zich zou kunnen wapenen tegen de concurrentie:
Het boek Creative Explorations, New approaches to identities and audiences van David Gauntlett beschrijft een bijzondere nieuwe manier voor identiteitsonderzoek. “Identiteit is een belangrijk onderwerp van discussie geworden. Marketing uitingen proberen invloed uit te oefenen op die identiteit of aan te sluiten bij een groepsidentiteit. We worden gewaarschuwd voor identiteitsdiefstal, maar dat gaat dan weer over data, het stelen van een volwaardige identiteit zal zelfs de beste dief niet lukken.”
Identiteitsonderzoek heeft dus grote waarde, maar de oude onderzoeksmethode, vooral het media-effects-model kijkt naar verkeerde onderdelen. Daarom stelt Gauntlett nieuwe creatieve methodes voor. Gauntlett wil toe naar een identiteitsconstructie door het subject zijn identiteit met de hand te laten maken. In eerste instantie onderzoekt Gauntlett zijn methode aan de hand van LEGO.
De mediagebruiker probeert dagelijks de logica achter tientallen, zo niet honderden, verschillende subinterfaces te ontdekken en te ontrafelen. Websites, de videorecorder, de strijkbout en de wasmachine, allemaal hebben ze een andere interface. Een iPhone is anders dan een Nokia, net als de websites van hun moederbedrijven. Niet alleen ouderen hebben het daar moeilijk mee. Een kleine twee weken geleden werd de mythe van ‘het kind als tovenaar op de computer’ ontkracht. Kinderen zijn volgens het onderzoek ongeduldig, lezen nauwelijks en klikken snel weer weg.
Eén ding hebben alle interfaces gemeen, ze hebben structuur. De één een vele malen betere dan de andere, maar de ontwerper heeft geprobeerd een structuur aan te brengen. Al was het maar zijn eigen logica. Als gebruiker ga je op hoop van zegen puzzelen om die structuur te ontdekken. En dat is precies de plek waarbij de ontwerpers mijns inziens de fout ingaan. Ze gaan uit van eigen logica en structuur, in plaats van de logica van de gebruiker. Bovendien leggen ze hun logica ook niet uit.
Het verschil tussen kinderen, volwassenen en ouderen is de mate en snelheid waarin zij structuren doorgronden.
Wat zou er gebeuren als copyright morgen van de een op de andere dag zou verdwijnen? Het huidige copyrightmodel stelt de grote partijen in staat te investeren in creativiteit, talent en ontwikkeling. Als iedereen deze illegaal kan verkrijgen, hoe kan je er dan nog winst mee maken? Investeren lijkt dan zinloos te worden. De vraag is echter of we niet al zover zijn. De digitalisering zorgt er in ieder geval voor dat een groot gedeelte van de industrie zich nauwelijks nog kan wapenen tegen piraterij. Is er eigenlijk nog wel sprake van een illegale activiteit als iedereen het doet?
Vanuit technisch determinisme bekeken is het copyrightmodel ten dode opgeschreven. Grofweg gezegd worden er twee oplossingen gepredikt. Enerzijds heb je de huidige monopolisten, en hun contentbeschermers, bijvoorbeeld Warner Bros en de RIAA. Met exorbitante boetes en DRM systemen proberen zij hun huidige monopolie in stand te houden. Disciplineren en straffen, het huidige model strenger maken. Het tweede model is juist het versoepelen of zelfs helemaal los laten van rechten, vertegenwoordigd door Creative Commons. De vraag is los je hiermee de problemen van piraterij op? Ik kies zelf voor verborgen optie 3, een cultureel deterministische socio- economische oplossing.







